Mijn reis met Post COVID – deel 4
Medio maart 2024
Het voorjaar kwam.
En ergens in mijn hoofd was dat een geruststellende gedachte.
Het voorjaar betekende nieuwe energie. Nieuwe plannen. En vooral: verder.
In maart/april zou onze nieuwe afdeling op het werk openen. Een nieuwe woon- en werkomgeving voor de bewoners én voor ons als medewerkers.
En ik?
Ik was ondertussen gewoon aan het re-integreren.
Sterker nog: voordat de nieuwe afdeling openging, gaf ik nog een presentatie over verzuimpreventie.
Dat was tenslotte mijn werk. Ik was ook vitaliteitscoach binnen het bedrijf.
Een presentatie over gezond blijven en voorkomen dat mensen uitvallen.
Terwijl ik zelf amper op mijn benen kon staan.
Maar hé…
Ik stond.
Dus ik kon het.
Dat er daarna van alles gebeurde wat eigenlijk helemaal niet zo goed ging, besloot ik maar te negeren.
Onder het mom van:
Wat ik niet zie, wat ik niet voel, dat is er niet.
Lekker even struisvogeltje spelen.
Dat hield me overeind.
Dacht ik.
Medio april ging de nieuwe locatie open.
De eerste bewoners kwamen.
Voor hen was alles nieuw.
Voor ons ook.
Ik werkte met mensen met dementie, dus dat maakte het er niet bepaald makkelijker op. Alles moest opnieuw bedacht, uitgeprobeerd en ervaren worden.
Waar staat wat?
Hoe werkt dit?
Wat hebben we nodig?
Wat werkt voor de bewoners?
Wat werkt niet?
En ondertussen moest je gewoon je werk doen.
Dat hoort bij het starten van een nieuwe woon- en werkomgeving. Je weet van tevoren dat niet alles meteen soepel loopt.
Normaal gesproken zou ik daar waarschijnlijk prima mee om zijn gegaan.
Ik was gewend om te schakelen.
Te regelen.
Problemen op te lossen.
Even iets anders bedenken.
Door.
Maar juist dát kon ik niet meer.
Ik kon niet meer op de automatische piloot.
En die automatische piloot had ik jarenlang gebruikt zonder er ooit bij stil te staan.
Nu moest ik overal bewust over nadenken.
En nadenken kostte energie.
Schakelen kostte energie.
Aanpassen kostte energie.
Onverwachte veranderingen kostten energie.
En die energie had ik eigenlijk helemaal niet.
Sterker nog…
Ik stond allang ver in het rood.
Maar dat wist ik niet.
En wat niet weet, wat niet deert.
Mijn re-integratie ging ondertussen volgens plan.
Ik bouwde op van drie keer twee uur.
Langzaam werd dat meer.
Uiteindelijk zat ik op twintig uur.
Twintig uur!
Kijk mij eens even.
Dat moest toch betekenen dat het beter ging?
Dat was in ieder geval wat ik mezelf vertelde.
En misschien ging het op sommige momenten ook echt wel even beter.
Totdat er weer iets gebeurde.
Een verandering.
Een drukke dag.
Een onverwachte situatie.
Een paar uur te veel.
En dan voelde mijn lichaam de rekening.
Maar ik keek er niet naar.
Want ik moest vooruit.
Ik herinner me een weekend waarin ik avonddiensten draaide met een collega.
Het waren spannende tijden.
Een nieuwe locatie, nieuwe bewoners, nieuwe situaties en heel veel dingen die nog niet vanzelf gingen.
We gaven elkaar peptalks.
Kom op.
We kunnen dit.
En samen liepen we van boven naar beneden alle appartementen af.
Van boven naar beneden.
En weer terug.
Waarschijnlijk heeft de familie daar helemaal niets van meegekregen.
Die zag twee medewerkers die hun werk deden.
Die zagen niet hoeveel druk en stress daarachter zat.
Ze zagen niet dat wij ondertussen allebei bezig waren om de boel draaiende te houden.
En ze zagen al helemaal niet wat er zich ondertussen in mijn lichaam afspeelde.
Want aan de buitenkant stond ik daar.
Ik liep.
Ik werkte.
Ik praatte.
Ik deed wat er van mij verwacht werd.
Dus ging het toch?
Toch?
Achteraf denk ik dat juist die druk me uiteindelijk de das omdeed.
Niet omdat het werk niet leuk was.
Niet omdat ik het niet wilde.
Maar omdat mijn lichaam geen ruimte meer had voor alles wat niet voorspelbaar was.
Ik kon niet meer gewoon doen wat ik altijd deed.
Niet meer zonder nadenken schakelen.
Niet meer even een tandje bijzetten.
Niet meer denken: komt wel goed, ik regel het wel.
Er was geen reserve meer.
Geen buffer.
Geen achterzakje met nog wat extra energie.
Alles wat ik deed, kwam ergens vandaan.
En dat ergens was leeg.
Maar ik wist dat niet.
Of misschien wilde ik het niet weten.
Want als ik het echt zou toelaten…
Dan moest ik misschien erkennen dat er iets serieus aan de hand was.
Dus speelde ik struisvogel.
Kop in het zand.
Gewoon doorgaan.
Niet kijken.
Niet voelen.
Niet te veel nadenken.
Want zolang ik bleef staan, kon ik mezelf wijsmaken dat ik ook gewoon kon blijven functioneren.
Ik stond.
Dus ik kon het.
Dacht ik.
Reactie plaatsen
Reacties
Je beschrijft heel mooi de overlevings strategie, doorgaan tot het niet meer kan. Gelukkig ben je op de goede weg om jezelf terug te vinden. Want je bent een mooi mens en goed zoals je bent.🥰😘😘